Er was eens een afgelegen dorpje met 1000 inwoners. Gemiddeld verdiende iemand in het dorp 18,- per maand.
Een van de dorpsbewoners was Piet.
Piet is een harde werker. Met een kledingwinkeltje verdiende hij met jaren hard werken ook 18,- per maand. Het kledingwinkeltje werd na verloop van tijd uitgebreid met een fabriek.
En na verloop van tijd verkocht hij kleding niet alleen in zijn eigen winkeltje maar verkocht hij het aan meerdere winkels. Piet ging ook meer verdienen, inmiddels al zo’n 100,- per maand. Piet hielp een flink aantal dorpsbewoners aan werk.
Van zijn salaris betaalde Piet 55,- per maand aan de Burgermeester.
Na nog eens enkele jaren kon Piet zijn fabriek voor 50000,- verkopen aan mensen van buiten het dorp.
Piet stopte een klein deel van zijn geld in een nieuw bedrijf, en hij ging boeken verkopen.
Piet besloot ook groter te gaan wonen. Hij kon een huis van 20000,- kopen. De bank adviseerde hem om het huis te kopen met een hypotheek. Per jaar moest hij dan echter 1200,- aan rente betalen aan de bank.
Dat was 100,- per maand. Een enorm hoog bedrag en hij moest wel heel veel salaris verdienen om dat te kunnen betalen. Piet kon als ondernemers zelf de hoogte van zijn salaris bepalen, mits zijn bedrijf genoeg verdiende.
De burgemeester had ook een speciale regeling die al ruim 130 jaar bestond. Piet mocht de 100,- die hij per maand betaalde aan de bank aftrekken van het bedrag dat hij aan de burgemeester betaalde.
Om echter niets meer aan de burgermeester te hoeven betalen moest Piet 180,- per maand gaan verdienen. Met de boekenverkoop ging het goed, dus Piet besloot dat te gaan doen. En de burgermeester kreeg ook op andere manieren geld van Piet, zoals de belasting op zijn huis en zijn bezit.
De resterende 30000,- zette hij op de bank. En dat leverde 1200,- per jaar op aan rente. Dat gebruikte Piet voor de luxe dingen die hij kocht.
Piet hield nu 80,- per maand over van zijn salaris.
De bank kreeg 100,- per maand van Piet aan rente.
Piet moest echter zijn nieuwe huis ook nog inrichten. Dat deed hij voor 300,-
En hij moest het warmhouden. En onderhouden.
Per maand betaalde piet 26,- om zijn huis warm te houden. Dat was tien keer zoveel als zijn armere dorpsgenoten, maar Piet had nu eenmaal een groot huis. Piet leverde het gasbedrijf dus net zo veel op als tien van zijn dorpsgenoten. Piet betaalde ook nog zo’n 6,- voor een tuinman die af en toe kwam, en 4,- voor een schoonmaakster.
Ook kocht Piet af en toe een nieuwe auto in het dorp, Piet hield inmiddels van luxe en zo’n auto kostte hem 2000,-. De ondernemers in het dorp zagen Piet dan ook graag komen.
Na enige jaren ging het minder goed met de economie. Het dorp verkocht minder aan andere dorpen.
Mensen in de gemeenteraad riepen anderen op om te gaan protesteren. Piet zag zelfs mensen met spandoeken lopen. ‘Laat Piet de crisis betalen’. Piet snapte het niet, want wat hij daarmee te maken ? Maar de kreten bleven aanhouden en er kwamen verkiezingen aan.
Er ging stemmen op om de aftrek die Piet heeft op zijn huis af te nemen. Immers was Piet rijk genoeg zo vond men.
En zo geschiedde.
Piet moest nu opeens 100,- aan de bank betalen en 100,- aan de burgermeester. Hij hield niets meer over van zijn salaris en teerde in op zijn vermogen.
Dus besloot Piet daar wat aan te doen. Hij kon niet zijn salaris verlagen, immers kon hij dan de bank niet meer betalen en de burgermeester wilde ook een deel hebben.
Hij ging dus naar de bank, gaf opdracht om de 30000,- die hij op de bank had gezet te gebruiken om het huis af te betalen. Daar was nog 10000,- van over. Dat liet Piet op de bank staan.
Piet kon altijd goed rondkomen van 80,- dus aan de hoogte van zijn salaris deed hij nu nog niets, maar hij had altijd zo’n hoog salaris gehad juist om de rente op het huis te kunnen betalen. Hij zou dus net zo goed een lager salaris kunnen uitnemen.
Van de 180,- die hij nog steeds verdiende ging nu niet 100,- naar de bank, maar naar de burgermeester; De burgermeester kreeg dit geld nu direct van Piet.
De burgermeester kreeg nu echter ook niets meer aan belastingen op het huis van Piet nu er geen hypotheek meer op zat. In Piet’s geval was dit 156,- per jaar minder aan ‘eigenwoningforfait’.
Piet had nu ook minder geld op de bank staan. Het leverde nu 800,- per jaar aan rente op.
Piet hield minder geld over voor de luxe zaken, al had hij nog steeds niet te klagen.
Als hij een auto kocht in het dorp dan was die nu echter een stuk goedkoper en hij kocht er minder vaak een. Hij veranderde minder vaak zijn interieur.
In het dorp van Piet woonden nog acht mensen zoals hij. Bij elkaar waren ze nog geen 1% van de dorpsbevolking. En de andere 8 verkeerden nu dus ook in dezelfde situatie.
Het waren altijd flinke uitgevers geweest, want aan geld op de bank hadden ze niets. Ze verdienden tien keer zoveel maar gaven ook tien keer zoveel uit.
De ondernemers in het dorp kregen hierdoor veel minder geld binnen en moesten uiteindelijk zelfs mensen ontslaan.
En de bank ? De bank kreeg inmiddels 9* 100,- euro aan rente minder binnen. Ook had de bank veel minder geld in beheer. Van de 30000,- die Piet had was nu 10000,- over. Bij elkaar mistte de bank 180000,-.
Piet’s armere dorpsgenoten begonnen dat geldgebrek te merken. Als ze aanklopten bij de bank dan vroeg deze om allerlei garanties en een hoge rente. Zij konden vaker niet dan wel geld lenen. De bank had immers veel minder geld om uit te lenen en veel minder inkomsten uit rente. De bank moest dus wel een hogere rente eisen en allerlei voorwaarden stellen.
De prijs van bestaande huizen ging dalen, en als mensen hun hypotheek niet meer konden betalen dan maakte de bank wel eens mee dat het huis veel minder opleverde dan de hoogte van de hypotheek.
En de burgermeester ? Die kreeg nu 900,- meer per maand binnen van de rijke dorpelingen. De gemeenteraadsleden waren tevreden. In hun ogen was die 900,- een subsidie geweest aan Piet en zijn rijke dorpsgenoten.
De huizenprijzen waren inmiddels echter flink gedaald, het werd moeilijk om een huis te verkopen omdat de bank niet meer zo eenvoudig geld kon uitlenen. En als er minder kopers voor een huis zijn dan daalt de prijs.
Daardoor kwam er van de 700 ‘armere’ huizenbezitters fors minder belastinggeld binnen. Gemiddeld daalde de prijs van een huis met 10%, en aangezien de burgermeester 0,55% kreeg aan belasting per huis met een hypotheek en een huis gemiddeld 2000,- waard is kostte het 10% van 11,- aan belasting per huis per jaar en in totaal dus 770,- per jaar.
Piet en zijn 8 andere dorpsgenoten hadden geen hypotheek meer op hun huis en dit scheelde ook aardig wat:
De belastingregels van de burgermeester waren complex; rijke huizenbezitters met een huis boven de 10000,- in waarde betaalden 56,- + 1,05% over elk bedrag meer dan 10000,-.
Bij Piet’s huis bedroeg dit dus 56,- + 1,05% van 10000,-. Dat was 156,- per jaar voor Piet, en dat voor 9 huisbezitters. Bij elkaar 1404,-.
Dus wat de burgermeester nu meer kreeg (900,-) werd verminderd met 1404,-. Netto hield de burgermeester dan ook minder over.
De bank had veel minder geld en er waren dorpsbewoners werkeloos geraakt omdat er minder geld in omloop was.
Daar hadden de gemeenteraadsleden niet op gehoopt.
Nu betaalde Piet in dit voorbeeld verder niets aan de burgermeester. In werkelijkheid zouden de rijken in Nederland twintig keer meer belasting betalen dan dat zij als hypotheekrenteaftrek in mindering konden brengen.